55.
De voet ging voor - maar blik en zielsgedachten,
Hoe keerden zij langs de oude paden weêr!
Zoo drijft het schip, door onweêrstaanbre krachten
Aan 't strand ontscheurd, onwillig over 't meir.
Wij ijlden door, twee dagen en twee nachten,
Geen sterveling ging onze vlucht te keer -
Tot ons, de grens van mijn gebied genaderd,
Een burchtkasteel begroette door 't gebladert.