73.
De morgenzon, heur renbaan opgestegen,
Klimt meer en meer, en spiegelt in den gloed
Van helm en schild en borstkuras en degen
Een lichtstroom af, die de oogen scheemren doet.
Een vuurzee golft en bliksemt allerwegen,
Een brand gelijk, die onuitbluschbaar woedt;
En 't staalgeklank, 't gekletter der cymbalen
En 't rosgehinnik, davert door de dalen.