54.
- ‘Die Christendief van 't Overzeesche strand,’
Zoo raast hij, ‘die met mij den kamp dorst wagen,
Ploft straks bebloed en snikkende in het zand:
'k Zal met zijn hair het stof van de aarde vagen!
Nog levende zal hij, zijn God tot schand',
Zich 't wapen uit de vingren zien geslagen;
En als hij sterft, al kermt zijn keel zich heesch,
Zal ik mijn honden mesten met zijn vleesch!’