63.
Daar welft een lucht, uit klaar azuur geweven,
Zich over woud en weide en rozendal;
Een balsem waait uit groene myrthendreven,
Besproeid door bron of heldren waterval:
Een zoete slaap schijnt droomende aan te zweven
Op windgezuis en murmlend golfgeschal.
Wat vooglenzang, gewiegd op purpren vlerken!
Wat pracht van goud en marmren wonderwerken!