26.
'k Bemerkte wel, hoe 't grillig zich bewoog,
Maar had geen kracht den blinddoek gantsch te slaken.
Ik zag als een, die 't moêgeschemerd oog
Ontsluit en luikt, en slapen kan noch waken.
Nu voelde ik eerst wat last mij nederboog:
Mijn voorhoofd bonsde en al mijn wonden staken,
Verërgerd door den naakten grond, de vorst,
En d' ijzel, die mij druppelde op de borst.