63.
Nu komt hij, waar, als zwervend nachtgeveugelt',
Het Helgebroed den Heiden helpt en spoort.
Hij houdt er stand, zich wiegende op 't gevleugelt',
En drilt zijn lans, en spreekt dit donderwoord:
- ‘Heeft nog de schrik uw woede niet beteugeld?
Vergat gij hoe des Heeren bliksem gloort?
Gij half verschroeid! gij, hopeloos rampspoedig
En toch in uwe ellende nog hoogmoedig!