6.
Zij scharen zich ter slinke en rechter kant
Aan Plutoos zij', met raauwe gruwelkreeten.
De vorst der Hel, den scepter in de hand,
Is op zijn throon in 't middenpunt gezeten.
Geen rots in zee, geen steigrende Alpenwand,
Geen Atlas is met dezen reus te meten,
Die ze al te saam' als heuvlen overtreft,
Zoo vaak hij 't breed, gehorend hoofd verheft.