93.
Geen vlammig staal van Damascener klingen,
Of 't splintert weg gelijk een machtloos riet
Op 't wapen der ontembre Hemelingen: -
Ook 's Heidens zwaard weêrstaat Gods beuklaar niet:
Hij staroogt, daar de spaanders hem omringen,
Ter naauwernood geloovend wat hij ziet,
Nú op zijn vuist, die weerloos is geworden,
Dán op dien held, wien marmer schijnt te omgorden.