28.
‘Zie, 'k heb 't rapier doen vallen. 'k Biê de borst
U weêrloos aan: gij moogt haar vrij doorstoten.
Verlangt gij meer? 'k Zal 't pantser, dat me omschorst,
Ontgespen, 'k zal mijn brekend hart ontblooten!’...
Wie weet hoe lang zijn sombre minnedorst
Heur tranen en heur klachten hadd' vergoten,
Waar' daar op eens, ontijdig, ongevraagd,
Geen bonte zwerm van strijders opgedaagd.