84.
Zijn zacht gelaat smeekt vruchtloos om genâ:
Hoe zou een blik de onnozelheid beschermen?
De wreedaard slaat der schepping pronkstuk gâ,
Blind voor zijn glans en doof voor al zijn kermen!
Hij heft zijn zwaard, en - mist den slag! want ja,
't Is of althands het staal zich wil ontfermen,
Veel menschlijker dan de onmensch, die den stoot
Verwoedt herhaalt, en - nu den jongling doodt!