7.
De majesteit der woeste wenkbraauwboogen
Verhoogt zijn trots en baart den bleeken schrik:
Daar springt vergif uit d' opslag zijner oogen;
Als 't vonklen van een dwaalster gloeit zijn blik.
Zijn baard, met elken dwarrelwind bewogen,
Valt op zijn borst in vlokken ruig en dik:
Zijn kaken, van geronnen bloed bedropen,
Staan dreigend als een grondloze afgrond open.