13.
Hij roept zijn schaar. De lafaards worden dappren,
Zoo weet zijn taal de koelste borst te ontgloên.
De paarden rieken strijd - hun manen wappren,
Hun hoeven trapplen vast om weg te spoên.
Alekto doet het groote vendel klappren,
En blaast verwoed de raatlende klaroen:
Daar rukken ze als gevleugeld door de dalen;
De Faam-zelfs kan hun vlucht niet achterhalen.