83.
Aldus de leeuw, die met gesparde kaken
De manen schudt, de donders overstemt,
Maar plotseling den meester ziet genaken,
Wiens heldengeest zijn wildheid heeft getemd:
Hij beeft; hij rilt, eer hij een zweep hoort kraken;
Hij duldt het juk, dat om zijn schoften klemt,
En golvend hair, noch muil, noch klaauwen, geven,
Hoe sterk dan ook, hem moed tot wederstreven.