35.
Pas groet de zon de nederige dalen
Met schooner licht dan ze immer heeft vergaârd,
Of 't gantsche heir, weêrspieglende in haar stralen,
Staat moedig bij zijn vendelen geschaard.
Hoe wenscht elks hart den bijval te behalen
Des vroomen Helds, die van den heuvel staart,
En roerloos al die bonte legioenen
Voorbij laat gaan, op 't schettren der klaroenen.