36.
‘Een àndre smart, mijn vriend! een àndre klacht
Eischt de ernst van 't uur, bij heiliger gebeden!
Waarom nu niet uw zondeschuld herdacht,
En 't zalig loon van die den Heer beleden?
Gij sterft voor Hem: dat maakt de foltring zacht.
Blik juichende op naar 's Hemels heerlijkheden!
Aanschouw die zon, hoe blinkt zij aan den boog!
Zij lacht ons toe, zij lokt ons naar omhoog!’