25.
Toch wil hij niet in sprakeloos verlangen
Vergaan - al hoopt hij op geen medelij'!
Zij wete 't dan, dat hij, sints lang, gevangen
En weêrloos boog voor Liefdes heerschappij!
‘Gij,’ roept hij uit, ‘die onder zooveel rangen
Van vijanden, geen vijand ziet dan mij,
Kom, volg mij, waar geen strijdende ons beletten,
Ten einde toe den tweekamp voort te zetten!