7.
Zij schrikken op voor 't onheilspellend wapen,
Den fieren dosch, van 't vreemde krijgsmansbeeld.
Herminia ontbloot de blonde slapen
En 't blank gelaat: - ‘Waarom niet voortgespeeld?’
Zoo vraagt zij zacht, ‘gij schuldeloze knapen,
Gelukkigen, met 's hemels gunst bedeeld!
Ik kom, hoe wreed deez' ijzren wapens gloren,
Uw vreedzaam werk, uw vriendlijk lied, niet storen!’