15.
Zij spreekt tot hem: - ‘Benijdbre! die vóórdezen
De diepte der beproeving hebt gekend!
Zijt ge op uw beê in 's Hemels gunst gerezen,
Ontferm U dan der jammerende ellend'!
De waereld kan mijn wonden niet genezen:
O, gun mij dan een hoekjen in uw tent!
Dáár, in de schaâuw, van Gods natuur omgeven,
Dáár zal misschien mijn kranke ziel herleven!