12.
De krijgsman heft vergramd de vuist omhoog,
En brult: ‘O gij, hoe maakt gij 't hart verbolgen!
Al staat gij hier als stervling voor mijn oog,
Gij zijt er geen - maar, Furie! 'k zal u volgen!
Straks steigeren de doôn naar 's hemels boog!
Straks wordt de grond in stroomen bloeds verzwolgen!
Een hel kookt in mijn aadren - wees mijn gids
In 't donker! maak mijn zwaard een bliksemflits! ...’