90.
Vaak zit zij neêr in zwijgende eenzaamheid,
Als door 't gewicht der droefheid neêrgebogen,
Terwijl ze een daauw van blanke drupplen schreit,
En straks den traan terug dringt in hare oogen.
En duizenden, door 't kunstig spel misleid,
Bespieden haar met levend mededogen:
Zoo staalt de Min heur pijlen in den gloed
Der Deernis, die ze onfeilbaar worden doet!