8.
Tot hem nu komt Alekto. Hij gelooft
Een oud soldaat, een zestiger te groeten:
Heur aanschijn is van rimpelen gekloofd;
De borstels van heur knevelbaard ontmoeten
De gladde kin; een doek omplooit haar 't hoofd;
De kaftan valt ter neder tot haar voeten;
't Zwaard dekt haar heup; heur pijlenkoker ruischt
Bij elken tred; de boog trilt in haar vuist.