50.
Ga! en als straks Egypten ons omringt,
Geruggesteund door menig wilden Heiden,
Dan zal uw moed, die nu beneveld blinkt,
Op 's balling naam vernieuwden glans verspreiden,
Dan voelt ons heir zich zonder U verminkt,
Een dooden romp, van hand en arm gescheiden! ....’
Hier nadert Welf: ook hij raadt dringend aan,
't Gevaarlijk kamp nog 't eigen uur te ontgaan.