28.
Argant, die steeds het strijdperk ledig ziet,
Roept eindlijk uit, schuimbekkende van toren:
- ‘Ik kwam hier om te strijden - is daar niet
Één enkle, die mijn roepstem durfde hooren?’
Maar doof en stom en turende in 't verschiet,
Blijft Tankred in bewondering verloren....
Daar prikkelt Otto 't vurig oorlogsros,
En springt in 't renperk op den vijand los.