73.
Intusschen staat, van ongeduld aan 't smachten,
De Saraceen van verre, en dreigt en krijt:
- ‘O Reuzenvolk! o fiere legermachten!
Europaas bloem! één man daagt U ten strijd'!
En gij, o Held! wat laat ge U vruchtloos wachten?
Gij Tankred, die zoo onverwinlijk zijt!
Of schuilt ge in 't dons, tot dat de nacht zal graauwen
En mooglijk U ten tweedenmaal' behouën!?’