7.
U had zijn hart, ver boven alle Grooten,
Tot Meester in de school des krijgs benoemd.
Lang had hem reeds de laffe rust verdroten,
Waartoe zijn Lent' zich roemloos zag gedoemd,
Terwijl de Faam, klapwiekende uitgeschoten
Naar Oost en West, den jongen Reinout roemt.
Hij blaakte om zich de blonde kruin te sieren
Met aardsche niet, maar hemelsche lauwrieren.