30.
Sofronia houdt d' engelreinen blik
Meêlijdend op den Jongeling geslagen:
‘Rampzalige! wat werpt ge U in den strik?
Wat spoort U aan, zoo dwazen stap te wagen?
Of meent ge dan, dat ik te zwak ben, ik!
Om gantsch-alléén eens menschen wraak te dragen?
'k Heb ook een hart, dat, voor geen dood vertsaagd,
Verlaten sterft maar geen geleide vraagt!’....