7.
Eerst als omhoog de duizend tintelvuren
Te flikkren staan in diamantengloed,
Mag hij de ellend, die lijf en ziel verduren,
Neêrwerpen in den stillen Lethévloed.
Zacht hijgt die borst, doorsneden van kwetsuren,
En 't ooglid dekt den appel, rood als bloed.
Pas ligt hij dus in diepen slaap verloren,
Daar snerpt een stem verwijtend in zijn ooren: