5.
Zij waakt niet op eer in de groene blaâren
De vogel juicht in 't schaatrend morgenlied,
Het koeltjen ritselt door de rozelaren,
En 't golfjen als gesmolten zilver vliet.
Hetgeen heur kwijnende oogen 't eerst ontwaren,
Zijn kalme herdersstulpen in 't verschiet.
Maar 't is, als spoorde in 't murmlen der valleien
Een stem haar aan tot zuchten en tot schreien.