16.
Door zulk een weêr trekt nu in aller ijl
Vorst Solyman de Christen tenten tegen;
En als de nacht aan 't luchtgewelf terwijl
De grooter helft voleind had van haar wegen,
Gebiedt hij halt, nog minder dan een mijl
Van 's vijands kamp. Fluks wordt er afgestegen,
Gerust, gespijsd, geluisterd naar het woord,
Waarmeê hij 't volk dus tot den aanval spoort: