3.
- ‘Gij Helden, weet,’ zoo vangt hij aan te spreken,
‘Mijn andwoord op de ons voorgehouden klacht: -
Geen bijstand mag der zwakke maagd ontbreken:
Slechts worde hij ter goeder uur gebracht!
'k Herhaal dien raad: wie weet het, mooglijk bleken
Mijn gronden goed, al werden ze eerst veracht.
Want op deze aard, zoo rustloos als ellendig,
Is niets dan de onbestendigheid bestendig!