48.
Zoo roept hij uit, en spoort zijn snuivend paard
Naar Solyman, die aanhoudt met vernielen;
Dwars door den dood, die joelende ommewaart,
Rept zijn genet de bliksemende hielen.
Door stof en staal en bloed baant zich zijn zwaard
Een smallen weg, waar duizend strijders krielen;
En rechts en links slaat zijn geducht geweêr
Ros, ruiter, wapens, wapenvoerders neêr.