52.
Hij gaat. Hem vuurt een zielsverlangen aan
Naar zulk een roem als eeuwig voort doet leven:
Zijn geest versmacht naar grootsche heldendaân,
Naar wonderen, door niemant ooit bedreven.
Het kruis ter eer', wil hij naar kransen staan,
Uit zegepalm of lijkcypres geweven:
Hij wil Egyptenland in aller ijl
Doortrekken tot de bronwel van den Nijl.