36.
‘Heer!’ zegt zij, ‘mijn verdiensten zijn gering,
'k Heb nooit den roem, dien gij mij kwist, verworven;
'k Ben, als gij ziet, niet slechts een sterveling,
Maar ook sints lang voor 's levens vreugd gestorven.
Een ramporkaan heeft me in zijn dwarrelkring
Naar hier gesleurd, vervreemd en moêgezworven....
Ik heb zooveel van Godsfrieds deugd gehoord,
En zoek bij hem een veilig toevluchtsoord.