89.
Zoo legt hij dan zijn grimmigheid aan banden -
Neen, elders woedt ze, onmenschlijk evenzeer!
Hij jaagt de vlam door de omgelegen landen,
Zengt de akkers plat, en stoot de hutten neêr.
Geen korrel graan, geen tweetal schaamle wanden,
Lave, uren ver, het naadrend Christenheir!
De beeken zelfs, die door de dalen hupplen,
Vergiftigt hij met doodelijke drupplen.