12.
De Saraceen, jaloersch reeds op de faam
Van Soliman, voelt al zijn woede stijgen,
Nu Aladijn op dien gehaten naam
Zoo zeer vertrouwt; en de afgunst doet hem hijgen:
- ‘Heer! welk een plan uw wijsheid ook beraam',
't Zij vrede of krijg, ik zal van nu af zwijgen:
Talm zoo gij wilt, en proef of Soliman,
De ontthroonde, uw throon misschien behouden kan!