47.
Daar staat op eens een Jonkvrouw voor zijn oogen:
Een Perziane, in 't rammlend staal gekleed,
Die, 't fier gelaat met blosjens overtogen,
Vermoeid als hij, de bronwel nadertreedt.
Hij ziet haar aan.... en, wonderbaar bewogen,
Krimpt hij in één van heftig minneleed,
Dat, op één wenk volwassen, hem betoovert,
't Verstand bedwelmt, ontwapent en verovert.