41.
Luid doet de schok den vasten bodem beven,
't Gebergte dreunt tot in zijn ingewand:
De strijders houden 't fiere hoofd geheven,
Der lansen greep steeds klemmende in de hand:
De paarden, woedend tegens één gedreven,
Zijn echter voor de botsing niet bestand:
Zij struiklen! maar de kampioenen springen
Ten zadel uit met bliksemende klingen.