76.
Hoe edel, hoe menschlievend zou het zijn,
Wat vreugde, wat verrukking zou U blaken,
Wanneer uw hand in 't barnen van de pijn
Zijn heldenborst al zalvende aan mocht raken,
Als gij allengs des levens zonneschijn
In 't oog herriept en 't blosjen op de kaken,
Als gij zijn bloei, die weldra keeren zou,
Mocht groeten als het wonder uwer trouw!