75.
Geen Heiden, op wiens tegenstand zij botsen,
Geen forteres, met dubble gracht omringd,
Geen vloed, geen woud, geen hemelhooge rotsen,
Niets, dat de vaart der Christenen bedwingt.
Zóó zwalpt somtijds, met oorverdoovend klotsen,
De stroommonarch, die uit zijn bedding springt,
Van gramschap zwelt, en, dam en dijk verbrekend,
Zijn dwarrelwegen met verwoesting teekent!