49.
Maar schooner zon verloor zich uit mijn blikken!
Ai mij! wie weet of mijn bedroefd gezicht
Zich nog wel ooit op aard meer zal verkwikken
Aan 't stralen van haar albezielend licht!’ -
Nu doet de erinring aan Argant hem schrikken:
- ‘Snood,’ roept hij uit, ‘ontheiligde ik mijn plicht!
Hoe zal men mij bespotten in den lande!
O groote schuld! O onuitwischbre schande! ...’