35.
De Sultan, in zijn tooverwolk verborgen,
Neemt, onbemerkt, rondom zich alles waar:
Hij hoort den Vorst, die, 't hoofd vol bange zorgen,
Zich van zijn throon dus uitlaat tot zijn schaar':
- ‘Zoo heeft dan toch ons Gistren nog een Morgen
Getrouwen, ach! wel liep mijn kroon gevaar!
En nu nog - kéért de Hoop, die ons ontglipte,
Al wachten we ook den bijstand van Egypte?