9.
Intusschen zag bij 't helder zonnegloren
De Muzulman, die wacht hield over 't oord,
Het walmend stof, dat van zijn hooge toren
Een wolk geleek, die 't kalme landschap stoort:
Zij scheen van vuur en flikkergloed te gloren,
Als rolde zij den zwangren donder voort.
Tot hij weldra 't metalen krijgsgereide
Eens heirs, en ros en ruiter onderscheidde.