3.
Zij voelen niet, hoe snel zij zich bewegen,
Zóó jaagt hun hart den vogelvluggen voet.
Maar als de zon van 's hemels steilste boogen
Een straalgloed schiet, die de aarde splijten doet,
Daar zien ze op eens Jeruzalem voor oogen!
Daar wuift elks hand Jeruzalem heur groet!
En jubelend doen honderdduizend lippen
Den blijden naam: ‘Jeruzalem!’ ontglippen.