47.
Daar, waar het volk zijn angstgekrijt doet hooren
En siddrend vliedt, komt Godfried aangestreefd:
‘Waar vlucht gij heen? Ging al uw moed verloren?
Kent gij den vijand wel, voor wien gij beeft?
Een dievenhoop, wiens lafheid nooit van voren
Een wonde òntfangt, een enkle wonde geeft!
Die, hieldt gij stand, alléén reeds voor de pijlen
Van uwen blik onmachtig weg zou ijlen! ....’