54.
De nacht viel neêr, zoo ondoordringbaar zwart,
Als was hij meê in ons verbond besloten.
Twee Maagden slechts, vertrouwden van mijn hart,
Verzelden mij als leed- en lotgenooten.
Helaas! wat heeft mijn sprakeloze smart
Bij 't ommezien een tranenvloed vergoten!
Wat heeft mijn mond met onverzaadbre lust
Den drempel van mijn huis vaarwel gekust!