17.
De stugge Noor kende op zijn heuvelklingen
Geen hooger goed dan rijkdom en geboort':
Hij schat naar 't goud den prijs der handelingen,
En smaadt een deugd die niet in 't purper gloort.
Hij duldt niet, dat de Ridder meê zou dingen
Naar 'tgeen hij waant dat hém-alleen behoort;
En verre van zijn grimmigheid te stuiten,
Gaat hij de grens van Rede en Recht te buiten.