41.
Hij zweeg; ik volgde; en onze schreden kraakten
Door menig dal en knoestig heuvelbosch,
Tot we eindlijk een bemoschte grot genaakten,
Verborgen in een uitgehoolde rots.
De grijzaard en zijn jonger leerling smaakten
Hier zielevrede, omringd van wolf en losch,
Want heiligheid en kinderlijk gelooven
Gaan schild en helm in veiligheid te boven.