51.
Toch joeg de dood me een killen schrik door de aâren,
Maar - vreemd voorwaar! - 'k had tot de vlucht geen kracht.
Ik vreesde altijd mijn vreeze te openbaren,
Als moest mijn eind verhaasten op mijn klacht.
Zoo leefde ik voort in duizend zielsbezwaren,
Een martlares, gefolterd dag en nacht,
Van de eindloze angst des doemelings bevangen,
Die boven 't hoofd het dreigend zwaard ziet hangen.