92.
Nu drukt en kwetst het onbeweeglijk staal
Den blanken hals, den gouden lokkenregen;
Zij tilt het zwaard, den beuklaar van metaal,
Die bijna uit heur tengre vingren zegen:
Zoo blinkt zij daar in vollen wapenpraal,
En poogt zij zich krijgshaftig te bewegen.
En Amor loeg van vreugde, als op den dag
Toen hij Alcied in vrouw herschapen zag.