18.
Geen ruw gewaad dekt heur aanvalligheid,
Of dempt het vuur dier oogen, fier als teder.
Zij schittert in heur vorstenmajesteit,
Tot welk een taak haar hoogheid zich verneder':
Zij drijft, zoodra de zon heur stralen spreidt,
De kudde in 't veld, en brengt die 's avonds weder.
Zij lokt de melk ter zwellende uiers uit,
Terwijl zij straks het zuivel wringt en kruidt.